
De dag begint met een telefoontje van mijn vader. Mijn moeder is gevallen en heeft haar pols bezeerd. Of ik met haar naar het ziekenhuis wil gaan om een röntgenfoto te laten maken? Jak. Dit betekent mijn hele dag omgooien. Ik bel het ziekenhuis. Ze kan diezelfde middag nog terecht. Mijn ochtendafspraak kan gelukkig gewoon doorgaan.
Het is een grijze dag. Onderweg naar mijn afspraak begint het te regenen. Bij aankomst een lange rij voor de parkeergarage. Ik ben al laat, dit gaat te lang duren. Dan maar een plaatsje in de omgeving zoeken. Bij het inparkeren bots ik tegen een andere auto. Shit. De chauffeur stapt uit en inspecteert zijn auto. Gelukkig geen schade.
In de stromende regen ren ik naar het gebouw. Met de lift naar de derde verdieping. Verbaasd kijk ik rond. Huh, lege kantoren? Wat is hier aan de hand? De afdeling blijkt tijdelijk verhuist vanwege een renovatie. Waarom weet ik dit niet? Ik baal. Nu kom ik zeker te laat. De nieuwe locatie is een eind lopen. Weer door de regen. Als ik voor de deur sta, blijkt dat ik een pasje nodig heb om binnen te komen. Inmiddels kletsnat bel ik mijn opdrachtgeefster en wacht gelaten tot zij mij binnenlaat. “Ik had je vanmorgen nog gemaild dat we eventjes op een andere plek zitten”, zegt ze. Niet gezien dus.
Snel beginnen om de verloren tijd in te halen. Ik grijp in mijn tas om mijn schrijfblok te pakken. Een nieuwe verrassing. Alles is doorweekt. Waterfles niet goed afgesloten. Zucht.
Op weg naar naar mijn ouders kom ik in de file. Nog meer vertraging. Gejaagd loop ik hun verpleeghuisappartement binnen. We moeten opschieten. Mijn oog valt op een flinke berg schone was. Mijn moeder heeft gewassen? Dat is de druppel. “Je hoeft niet meer zelf te wassen” zeg ik boos. “Jullie betalen er voor om dat hier te laten doen. Dit is allemaal werk voor niks. Die apparaten moeten weg.” Gefrustreerd trek ik de stekkers uit. Mijn moeder kijkt me geschrokken aan. Och, nu heb ik alweer spijt. Zij weet niet beter meer. De schone was gaat in een zak, die strijk ik thuis wel. Nu mijn moeder in de auto krijgen en naar het ziekenhuis. Daar hebben we een meevaller. De pols is niet gebroken.
Aan het einde van de dag weer thuis. Ik ben kapot. Onze zoon heeft gekookt (heerlijk!). Ik laat de wasbak vol lopen om de pannen af te wassen. Per ongeluk glijdt er een uit mijn handen, pats in het water. Het spettert behoorlijk. Weer ben ik drijfnat. Als ik dan eindelijk met een kopje koffie op de bank zit, klaar voor een avondje Netflixen, valt de stroom uit. De verwarming trouwens ook. Kortsluiting. Als mijn man met een zaklamp naar boven gaat om het probleem te fixen, besluit ik dat er voor mij maar één ding op zit. Ik ga naar bed. Morgen is er weer een dag.
arme jij.
LikeLike
Kijk, zo’n reactie heb je dan even nodig.
LikeLike
Nou Margo dit is wel heel erg. Wees maar blij dat je geen waterbed hebt, anders was dit vast gaan lekken die dag!
LikeLike
Dat hebben we al eens meegemaakt. Op een andere pechdag.
LikeLike