
Ik zoek een vriendin op die tijdelijk verblijft bij een revalidatie-instelling in Maastricht. We hebben zin in een lekkere cappuccino – in het gebouw niet te krijgen – en besluiten een gezellig koffietentje in de buurt op te zoeken. Aangezien zij nauwelijks kan lopen, moet zij mee in een rolstoel. Ik duw haar.
Onderweg trotseren we hobbelige kinderkopjes, drempels en andere obstakels zoals in de weg staande bloempotten en niet uitkijkende toeristen. Aangekomen bij het koffiezaakje, lopen we letterlijk tegen een barrière op. Een hoge drempel belemmert ons de toegang. “Ik stap wel even uit”, zegt mijn vriendin. “Dan kun jij de rolstoel naar binnen trekken.” Ondertussen wijzend: “Daarachter is nog een tafeltje vrij”. Ze stapt langzaam en heel voorzichtig uit.
Het is druk in de zaak. Er is inderdaad nog maar één tafeltje beschikbaar. Haast is geboden, er zijn meer kapers op de kust. Om bij het tafeltje te komen moet ik met die onhandige rolstoel door een nogal smalle doorgang manoeuvreren. In opperste concentratie trek ik eerst de rolstoel naar binnen en loop dan achteruit de zaak in. Achterom kijkend. Tassen, stoelen en voeten zoveel mogelijk ontwijkend, “sorry” en “pardon, mag ik er even door”, mompelend. Pff, ik ben er. Ik parkeer de rolstoel en kijk waar mijn vriendin blijft. Daar staat ze. Buiten nog, leunend tegen de deurstijl en breed grijnzend. “Ik kan dus niet lopen”, zegt ze. “Vandaar die rolstoel.” De hele zaak schatert het uit. Dat heb ík weer. De vlammen slaan me uit. Terug maar weer met dat gevaarte.
Als we even later eindelijk genieten van onze cappuccino met een stukje cheesecake met blauwe bessen zijn we het roerend met elkaar eens. Het is maar goed dat ik geen verpleegster ben geworden.
ik zie het al helemaal voor me, weer genieten
LikeLike