
In de trein van Maastricht naar Amsterdam zit ik tegenover een moeder en haar dochtertje van een jaar of vijf. Het schattige meisje vindt het zichtbaar heerlijk in de trein. Met een pop dicht tegen zich aan geklemd, babbelt ze honderduit.
Vlak voor het instappen is blijkbaar iets voorgevallen, want opeens besluit de moeder om het kind ferm toe te spreken. Met boze stem zegt ze: “Ik heb je toch al vaker gezegd Maartje, je mag geen snoepjes aannemen van een vreemde meneer. Nooit!” Om er voor de zekerheid aan toe te voegen: “en ook niet met ze meelopen.” Het kind kijkt haar beteuterd aan.
Het blijft even stil. Dan vraagt de moeder: “Heb je het begrepen?” Het meisje knikt bevestigend. “Wat heb ik gezegd dan?” vraagt de moeder. Haar dochter zegt braaf: “Ik mag nooit met een vreemde meneer meegaan”. De moeder aait het meisje goedkeurend over het hoofd en geeft haar een kus. “Goed zo”. Het kind laat het even bezinken. Even later veert ze overeind en zegt met heldere stem: “maar wel als het hééééle lieve meneer is, toch?” Opvoeden, het blijft lastig.