
Ik rijd naar Budel voor een gesprek met een medewerker van het CIZ, want mijn moeder heeft nog geen indicatie voor kleinschalig wonen. “Maar ze woont er nu toch al?” vraag ik als de medewerker belt om deze afspraak te maken. “Dat klopt, maar de opname valt onder de Wet zorg en dwang en uw moeder moet het wel goedvinden.” Huh, dus je bent wilsonbekwaam, al verhuisd, vorige kamer ontmanteld en dan nog dit gesprek. Het zal wel. De CIZ-medewerkster is er al als ik binnenkom en met mijn moeder in de rolstoel lopen we naar haar kamer.
“Mevrouw, vind u het fijn hier?” Mijn moeder kijkt de vrouw wazig aan. “Slecht”, zegt ze. “Vind u het slecht hier?”, zegt de medewerkster, duidelijk ar-ti-cu-le-rend. Een schouderophalen volgt. “Wat vindt u niet goed dan?” Mijn moeder zwijgt. “Wat wilt u anders dan?” Mijn moeder kijkt mij aan met een blik van ‘wat moet ik hier nou weer mee?’ Ik kan haar geen ongelijk geven. Na een minuutje of tien vruchteloos vragen stellen, noteert de CIZ-medewerker dat mijn moeder geen verzet toont, dus de indicatie is bij dezen geregeld.
“Nou ben ik wel benieuwd wat er zou gebeuren als mijn moeder zich wél zou verzetten?’ vraag ik aan de CIZ-mevrouw. “Dan komt er een rechter aan te pas”, legt ze uit. Ik snap best dat je niet zomaar iemand gedwongen kunt opnemen, maar mijn moeder kán toch niet meer voor zichzelf spreken. Er ís toch geen weg terug meer? “Dat klopt, maar zorgvuldigheid is wel vereist”, krijg ik te horen. Daarmee kan ik het uiteraard niet oneens zijn, al voelt dit gesprek bijzonder overbodig. De vrouw neemt met een handdruk afscheid en ik rijd mijn moeder weer terug naar de huiskamer.
Hier schallen inmiddels Sinterklaasliedjes door de ruimte. De zorgmedewerkers – deze mensen verdienen stuk voor stuk een standbeeld – klappen in hun handen en dansen door de kamer. Hier en daar verschijnt een lachje op een gezicht. Alle bewoners worden aan tafel geschoven en voor iedereen ligt een bal deeg. We gaan pepernoten bakken! Mijn moeder neemt al een voorschotje door een hap uit de deegbal te nemen. Het is net een kleuterklas. Ik pak de bal af, leg haar uit wat de bedoeling is en geef haar kleine stukjes deeg om balletjes van te draaien. Na twee balletjes heeft ze er al genoeg van. Dat geldt ook voor de meeste andere oudjes aan tafel. Ik draai de pepernoten voor mijn moeder en voor haar buurvrouw die mij continu met stralende ogen aankijkt en mijn arm aait. Lief.
Ondertussen zijn er nieuwsgierige ogen op mij gericht en krijg ik allerlei vragen. Wie ik ben? Of dit mijn echte haarkleur is? De een vindt mijn trui ‘geen gezicht’, de ander vindt ‘m juist mooi. Ik moet om de haverklap opstaan voor een bewoner die per se om de twee minuten met de rollator achter mij langs wil, en dan weer terug etc. Iemand vertelt met stralende ogen dat ze zo meteen snel op de fiets naar huis gaat, want anders wordt haar vader ongerust. “Och nee”, zegt de verzorgster. “Ik heb pap al lang gebeld, die weet dat je later komt”. Een opgeluchte blik in de ogen. Och erm. Na een kwartiertje balletjes draaien gaan de bakplaten de oven in, koffie wordt gezet en ik maak de tafels schoon. Mijn moeder zit alweer te slapen.
Voor mij het signaal om de koffie en pepernoten niet af te wachten. Ik geef mijn moeder een kus en ga naar huis. Er is vandaag weer een wereld voor me opengegaan.