Vriendje

“Ik moet terug naar Amsterdam, want Vriendje is anders alleen,” zegt onze oudste zoon.  ‘Vriendje’, voor alle duidelijkheid, is een kat. Normaliter zijn er talloze oppasadressen voor het beestje, maar nu even niet. “Breng die kat dan maar mee”, zegt mijn man. Een groots gebaar, want niet alleen heeft hij een grondige hekel aan katten, hij is er ook lichtelijk allergisch voor. Net als ik trouwens. Maar om in coronatijden in Amsterdam te moeten blijven vanwege een kat, dat gun je niemand en zeker niet je zoon.

Vanwege onze allergie kan Vriendje het beste in de in de kelder verblijven, is het idee. Sinds vorige week weer keurig opgeruimd en schoon. Overdag kan de deur naar buiten open zodat Vriendje de tuin in kan en ervaren wat vrijheid is. Vergeleken met haar beperkte leefruimte op een Amsterdamse woonboot is dit voor haar het kattenparadijs, stellen wij ons zo voor.  Omdat wij vermoeden dat het een kwestie van dagen of misschien zelfs uren is dat Vriendje gewoon bij ons op de bank ligt, bekleden wij onze nieuwe bank uit voorzorg voor scherpe nageltjes alvast met oude fleecedekens en spreien. De woonkamer heeft nu wel de aanblik van een bonte kermis, maar ach wat maakt dat uit. Bezoek komt er voorlopig toch niet.  

Vrijdagavond laat arriveert Vriendje. Een snoezig katje kijkt ons vanuit haar reismandje aan. Ik voel me al week worden. Tot onze verbazing is onze zoon onverbiddelijk. Vriendje mag niet in de woonkamer. De kelder is overigens ook geen optie, want daar is geen daglicht. “We kunnen de buitendeur toch openzetten”, zeg ik. Maar dat idee wijst hij resoluut van de hand, voor je ’t weet is ze weggelopen. “Kippengaas voor de poort?” opper ik nog. Ik krijg een meewarige blik: “Het is een kat hè, die klimmen in bomen en zo. Een stukje kippengaas gaat haar echt niet tegenhouden.” Niks tegenin te brengen.

Dus betrekt Vriendje de zolderkamer, het heiligdom van de middelste zoon. Veel ruimte en licht. Vriendje zit hier prima en krijgt regelmatig aanloop. Toch meen ik de hele dag gemiauw te horen. Aangezien ik, als het om dieren gaat, een zwakke zuster ben, kan ik het niet laten af en toe naar boven te lopen om stiekem Vriendje te aaien. “Van mij mag ze best af en toe beneden”, stel ik voorzichtig voor. “Nee”, zegt onze zoon streng. “Ze moet gewoon even wennen.”

Verstandige jongen zeg. Want ’s avonds lig ik met uitgeteld op de oude sprei op de bank. “Je wordt toch niet ziek?” vraagt mijn man bezorgd. Ik nies. Niks aan de hand hoor, gewoon iets te veel Vriendje.

Plaats een reactie