Er was eens…

“Een schrijfcursus? Jij?”, was de reactie toen ik begin vorig jaar startte met de cursus blogs en columns. “Je schrijft al de hele dag voor je werk”, was het commentaar. “Is het niet tijd voor een heel andere hobby?” Toegegeven, daar zit wat in. Maar iedereen die mij ooit heeft zien schilderen, tekenen of handwerken, weet dat dat in elk geval verspilde moeite is. Saxofoonles, heel wat jaren geleden, mondde bijna uit in ruzie met de benedenburen. En als ik zing, vraagt mijn jongste zoon of ik alsjeblieft wil ophouden, want “het bloed stroomt uit mijn oren.”

Schrijven dus. Een goede keus, de cursus is leuk, leerzaam én smaakt naar meer. Want wat is het fijn om eens níet voor een ander te schrijven. Inmiddels ben ik zelfs lid van een schrijfclub. Elke maand krijgen we een opdracht die we, onder leiding van een docent, bespreken. Afgelopen keer was dat een kindersprookje. Ik geef toe, de moraal ligt er dik bovenop. Maar het is dan ook mijn eerste (en waarschijnlijk laatste) sprookje.

De bijenkoningin

In een mooie grote tuin woonde eens een grote bijenfamilie. Ze woonden er al zeven generaties lang en gelukkig. De tuin stond vol met hoge bomen, bloeiende struiken en heel, heel veel bloemen. In het vroege voorjaar, als de sneeuw nog maar net gesmolten was, staken de krokusjes en narcissen hun kopjes al op. Elke zomer was een feest van oranje, gele, rode, witte en paarse bloemen die een heerlijke geur verspreidden. Een echt bijenparadijs.  

De tuin hoorde bij een wit landhuis waar een jong meisje woonde, helemaal alleen. Ze was dol op de bijen en de bijen op haar. Zomers kwam het meisje vaak naar de korf. Ze haalde de druipende honingraten eruit en vulde er tientallen potten mee, terwijl ze een opgewekt deuntje zong. De bijen zoemden vrolijk om haar heen. Het leek wel alsof ze allemaal samen zongen. De bijenkoningin zwol van trots als ze dat zag.

Maar de laatste jaren werd de tuin steeds minder paradijselijk. De heerlijke bloemengeur werd elk jaar minder. Tot er helemaal niets meer te ruiken was. Dat was naar voor de bijen, want zonder bloemengeur konden ze de bloemen niet vinden, de nectar niet verzamelen en dus geen honing meer maken. Ze hadden bijna niets meer te eten. De honingpotten van het meisje bleven leeg. Het meisje zong niet meer.

De bijenkoningin zag het met lede ogen aan. Er moest iets gebeuren, maar wat? Piekerend vloog ze rond. Toen ze even uitrustte bij het openstaande raam van het landhuis hoorde ze het meisje snikken. “Die lieve bijtjes gaan allemaal dood”, hoorde ze haar hardop tegen zichzelf spreken. “En ik, ik kan het niet voorkomen. Het is allemaal de schuld van die verschrikkelijke boer Sauerkraut en het vergif dat hij op zijn land spuit. Hij maakt de bloemen en bijen ziek. Wat moet ik doen?”

De bijenkoningin kende boer Sauerkraut. Een mensen- en dierenhater waar iedereen bang voor was. Zijn arme paard liep mank. Alle drie zijn honden waren vals, omdat ze veel slaag kregen. De boer haatte bijen. Verschillende leden van haar familie waren door een klap van zijn hand aan hun einde gekomen. Hij besefte niet dat hij de heerlijke appeltjes in zijn boomgaard alleen maar kon oogsten dankzij hun noeste arbeid. De boer was niet alleen ontzettend dom en gemeen, maar ook erg gierig. Elke avond telde hij zijn geld. Als hij klaar was, stopte hij het in drie grote kisten die hij op slot draaide en onder zijn bed schoof. De inhoud van die kisten was het enige waar hij om gaf.

Diezelfde avond nog riep de bijenkoningin de bijen bijeen. De sterksten kregen de opdracht naar alle bijenkorven, wespen- en hommelnesten in de wijde omgeving te vliegen en iedereen te vragen zich de volgende ochtend te melden. Die morgen werd ze gewekt door luid gezoem. Buiten de korf was het een drukte van belang. “We zijn dan wel uitgedund, maar barsten nog van levenslust”, dacht de koningin opgelucht. Ze  zette haar plannetje uiteen en alle bijen, wespen en hommels knikten opgetogen. Het laatste restje honing werd gedeeld en verscholen in de struiken wachtte iedereen tot het donker werd.

Toen Sauerkraut die avond zijn kisten met geld open deed om te gaan tellen, zoemde een kleine bij rakelings langs zijn neus. Hij sloeg ernaar, miste de bij maar raakte vol zijn eigen neus. “Verdomme, rotbeest”, vloekte hij. Hij ging zitten en voelde een scherpe steek in zijn bil. “Au au au”, gilde de boer. Daarna voelde hij een prik in allebei zijn oren tegelijk, toen op zijn neus, op zijn handen en gezicht. Wespen en bijen vlogen zijn overall en klompen in, ze waren overal. “Aaaahhhh”, gilde boer Sauerkraut en sloeg wild om zich heen. 

Hij was zo druk bezig, dat hij niet merkte dat de hommels de briefjes papiergeld een voor een oppakten, ermee naar buiten vlogen en lieten wegwaaien. Pas toen de kisten leeg waren en de boer wel driehonderd keer gestoken, vlogen alle bijen, wespen en hommels weg. De boer hing jammerend in zijn stoel. Toen hij zag dat al zijn geld verdwenen was, raakte hij buiten zinnen van woede. Hij kon alleen nog maar wartaal uitslaan, werd krankzinnig verklaard en voor altijd opgesloten.

De dorpelingen werden de volgende morgen blij verrast door het geld dat door de straten dwarrelde. Ze gaven een feest dat zeven dagen duurde. De tuin bloeide weer op, de bloemengeuren keerden terug en het meisje oogstte luid zingend weer potten vol honing. 

Plaats een reactie