
De laatste week thuis. Verhuisdozen inpakken. De spullen nakijken. In die broek zit een gat, die kan in de container. Die onderbroeken zijn te klein. Weg ermee. Nog snel even naar de Hema, nieuwe handdoeken en beddengoed aanschaffen. Alles nog even wassen. Toch nog veel te doen.
We schroeven het bed uit elkaar, de kast idem dito. Uit de kelder komt de oude keukentafel met stoelen. Nog even een doekje erover. Is er nog plaats voor die lekkere stoel? Dan gaat die ook mee. O ja, schoonmaakspullen niet vergeten. Dozen met boeken, serviesgoed, pannen en andere onmisbare bezittingen. Playstation en televisie. Aanhangwagen en achterbak raken langzaam vol. De slaapkamer biedt een lege en troosteloze aanblik. Kale plekken waar eerst posters hingen. Stof in de nu lege boekenkast. Zo snel mogelijk een likje verf op de muur en een nieuw bed erin. Maar dat komt later wel, nu trekken we gewoon de deur dicht.
Helaas kan ik niet mee naar Rotterdam in verband met een afspraak in het verpleeghuis waar mijn ouders wonen. Dan maar een dikke knuffel op de oprit. Of twee. Ik hou ‘m stevig vast. Onze jongste. “Geniet van alles, maar doe je wel voorzichtig? Stuur je af en toe een appje om te vertellen hoe het gaat? Bellen als je iets nodig hebt hè!” “Jaaa mama.” Het is duidelijk. In gedachten is hij al in Rotterdam. Die eerste avond al een etentje met vriendinnetjes uit Maastricht in zijn flatje dat hij met twee vrienden deelt. Een dag later start de introductie. Spannende tijden. Hij heeft er zin in. Nu wij nog.