
In ons dorp is een pyromaan actief. Of pyromanen. Al drie ochtenden op rij is het raak. We worden ’s morgens wakker van de brandweer die met gillende sirenes door de straat rijdt. De slachtoffers zijn stapels hout en boerenschuren.
Op straat word ik aangesproken door een dorpsbewoner; een oude man, ruim in de 80. Kortademig en slecht ter been. Hij kan zich alleen nog maar verplaatsen in zijn scootmobiel. Het is zijn houtstapel die de eerste nacht in brand is gestoken. Hij kan er niet over uit. Wie doet zoiets? Of ik iets weet?
Hij heeft die nacht niet geslapen. Eventjes een dutje gedaan op de bank en daarna, tegen middernacht, op zijn scootmobiel het veld in. De wacht houden tot die vandalen zich weer laten zien. “Maar de kans dat ze bij jou terugkomen is toch niet groot”, zeg ik. “Bovendien, je kan in je eentje niks tegen ze doen.” Maar daar denkt hij anders over. Hij tilt zijn jas op die in het mandje van de scootmobiel ligt. Eronder een witte spuitfles. “Nee, geen pepperspray”, zegt hij geheimzinnig. “Eigen brouwsel, dat krijgen ze in hun gezicht van me. En ik heb mijn stok om ze een mep te verkopen.” Ondanks zijn strijdlustige woorden kijkt hij vermoeid. Hij ziet wit, de lijnen in zijn gezicht zijn nog scherper dan anders. De doorwaakte nacht wreekt zich. Hij verzucht: “Ik snap deze wereld niet meer.” Ik wens ‘m sterkte en loop verder. Met verbeten blik stuurt hij zijn scootmobiel de veldweg in om maar weer eens poolshoogte te nemen.
Ik hoop van harte dat hij de pyromanen niet tegenkomt. Niet overdag en zeker niet ’s nachts. Want ondanks zijn bijtend mengsel en stok is hij geen partij. Mocht hij de brandstichters betrappen, wat zullen ze ‘m uitlachen. Of erger misschien. Ik heb met ‘m te doen. De wereld is soms ook niet te snappen.