
In het academisch ziekenhuis in Maastricht staat een bakkerskraam. De broodjes en vlaaien worden (mede) gebakken en verkocht door mensen met een verstandelijke beperking. Ik koop er een abrikozenvlaai. Terwijl die in de doos wordt gelegd, hoor ik een van de medewerkers praten tegen de begeleidster. Zij is net verhuisd en moppert over haar nieuwe kamer. Er deugt niks van. Te klein, te ongezellig, te ver weg maar bovenal: te koud. Ik hoor haar zeggen: ‘er zit enkel glas in, dat kan toch niet’. Waarop de begeleidster antwoordt: ‘Joh, dat is juist fijn. Dan ben jij ’s morgens de eerste die weet wat de temperatuur is buiten. Dan weet je tenminste meteen wat je moet aantrekken.’